Press "Enter" to skip to content

Hans Duijvestijn: ‘Schoolbesturen laten miljarden op de plank liggen’


Hans Duijvestijn, econometrist en oud-bestuurslid van Beter Onderwijs Nederland, in gesprek met Ad Verbrugge over de miljarden die op de plank blijven liggen in het onderwijs.

Sinds 1996 wordt het onderwijs in Nederland gefinancierd volgens de Lumpsum-methode. Dit systeem is niet onomstreden. Er zouden perverse prikkels zijn die er voor zorgen dat het geld niet wordt gebruikt waar het primair voor bedoeld is. Recent onderzoek van Hans Duijvestijn, oud-bestuurslid van Beter Onderwijs Nederland, legt nog een systeemfout bloot: Schoolbesturen potten te veel geld op.

Hoe zit het ook al weer? Door decentralisatie van onderwijsfinanciering worden scholen sinds 1996 als bedrijven geadministreerd en krijgen ze van de overheid ieder jaar een hoeveelheid geld op basis van het aantal leerlingen. In de praktijk betekent dit dat scholen zich als marktactoren gaan gedragen, met onder meer het gevolg dat onderwijsgeld ook gaat naar zaken zoals marketing, vastgoedprojecten en communicatiepersoneel. Duijvestijn: “Voor deze verhoogde overhead wordt de lumpsum echter niet gecorrigeerd. Vandaar dat scholen flink moeten bezuinigen op andere posten zoals op lerarenaantallen en salariskosten.”

Eigen vermogen scholen ver boven norm

Als reden geven scholen vaak aan dat ze moeten korten op personeelskosten omdat hun begroting anders niet op orde is. Nieuw onderzoek wijst uit dat deze redenering niet helemaal klopt.

Duijvestijn: “Vanuit de wet zijn scholen verplicht te voldoen aan een liquiditeitsratio van 1.5 keer hun uitgaven. Zo moet tegenover een miljoen aan vaste lasten, anderhalf miljoen aan inkomsten staan. Mijn onderzoek laat zien dat 95% van de schoolbesturen ver boven de norm zit. De meesten hebben zelfs een liquiditeitsratio tussen de 2.5 en 3.5.” Hij berekende dat scholen in totaal 7 miljard in kas hebben, waarvan 1.5 miljard boven de norm, of “te veel”. Opvallend hierbij is dat het geen momentopname betreft maar een blijvend fenomeen lijkt te zijn. Voor Duijvestijn reden voor verder onderzoek. Hoe kan het immers zo zijn dat scholen enerzijds aangeven niet meer geld aan personeel te kunnen uitgeven, terwijl ze anderzijds over eigen vermogen beschikken dat ver boven de wettelijke norm ligt?

De weeffout van lumpsum

“De oorzaak”, zegt Duijvestijn, “is boekhoudkundig en heeft te maken met financiering op basis van lumpsum.” Dit zit zo: De jaarlijkse lumpsum is geen vast bedrag maar varieert. Soms wordt deze door besluiten van de Tweede Kamer ook nog tijdens het jaar aangepast. Door deze variatie kan het zo zijn dat scholen aan het einde van het fiscale jaar – op 31 december – geld over hebben dat vervolgens van de boekhouder naar het eigen vermogen moet afvloeien.

Wanneer scholen dat afgevloeide bedrag vervolgens in het nieuwe fiscale jaar willen uitgeven kan dat betekenen dat ze op papier een verlies moeten nemen. Immers, alleen bij een verlies wordt het eigen vermogen aangesproken. Toch gebeurt dit in de praktijk niet. Duijvestijn: “We zien dat bestuurders terughoudend zijn met het nemen van een verlies om opgepotte reserves aan te spreken. Tegelijkertijd kan de overheid ze er niet op aanspreken omdat scholen zelfstandige entiteiten zijn.”

“We zien dat bestuurders terughoudend zijn met het nemen van een verlies om opgepotte reserves aan te spreken. Tegelijkertijd kan de overheid ze er niet op aanspreken omdat scholen zelfstandige entiteiten zijn.”

Hans Duijvestijn

De onderwijsraad heeft Duijvestijn onlangs nog een prijs gegeven voor zijn onderzoek, maar de minister lijkt de uitkomsten vooralsnog te bagatelliseren. En dat terwijl de oplossing volgens Duijvestijn simpel is: “Scholen zouden niet meer als bedrijven moeten worden aangemerkt, maar als een entiteit die het midden slaat tussen overheidsinstelling en zelfstandige onderneming. De minister kan scholen dan weer aanspreken op de reserves en het geld ten goede laten komen van lerarensalarissen of het aannemen van nieuwe leraren.”