Press "Enter" to skip to content

Erik Meester: Bloeiende bijlesindustrie is symptoom van dieper probleem in onderwijswereld


Ad Verbrugge in gesprek met Erik Meester, docent en onderwijsadviseur bij Academica Business College, over 21e-eeuwse vaardigheden in het onderwijs.

Computational thinking, informatievaardigheden, mediawijsheid… zomaar een greep uit de zogenaamde 21e-eeuwse vaardigheden die centraal zouden moeten staan in het onderwijscurriculum om kinderen goed voor te bereiden op een plek in een gedigitaliseerde maatschappij. Technologisering verandert niet alleen de aard van de maatschappij, zo luidt het volgens voorstanders van deze vaardigheden, maar ook het tempo waarin ontwikkelingen elkaar opvolgen. Kennis zou snel verouderen en aanpassingsvermogen is vereist om in te kunnen spelen op een dynamische omgeving. Een redelijk en logische verhaal, zo lijkt het. Maar er zijn ook critici. En zij roeren zich steeds actiever in het publieke debat.

Erik Meester, docent en onderwijsadviseur, is een van hen. Hij is er van overtuigd dat door de nadruk op deze vaardigheden er zaken in verdrukking raken die juist cruciaal zijn voor goed onderwijs. Om dit goed te begrijpen is het goed te beginnen met de retoriek waarmee over deze vaardigheden wordt gesproken. Meester: “Vaak begint het met het schetsen van dynamische context: de wereld verandert, en dus moet onderwijs ook veranderen. Dit is een romantisch en naïef beeld waar ik mij tegen verzet. Wat er namelijk niet verandert is hoe kinderen leren.”

Onderwijs reproduceert sociaaleconomische positie kinderen

“Wat kinderen nodig hebben is kennis en kunde. En juist dit dreigt ondergesneeuwd te raken onder invloed van allerlei hypes zoals 21e-eeuwse vaardigheden.” Op de scholen waar Meester mee werkt ziet hij dat men erg gevoelig is voor hypes, terwijl de basis soms gewoon niet op orde is. “Die basis is het gericht overdragen van kennis; en die kennis gericht inoefenen. Scholen houden zich hier echter steeds minder mee bezig, onder andere omdat ze er van uit gaan dat die kennis voor iedereen toegankelijk is op het internet.”

Meester vindt dit schadelijk om twee redenen. Allereerst: “Je hebt een ruime hoeveelheid kennis nodig om goed na te kunnen denken over complexe problemen. Als je deze kennis als school niet bijbrengt dan houd je het niveau wat kinderen van huis uit meekrijgen in stand. Een kind dat bijvoorbeeld weinig kennis meekrijgt doordat de ouders laagopgeleid zijn behoudt zo zijn achterstand. Je bevestigt het kind in zijn/haar sociaal economische status.”  Ten tweede: “Leren vereist inspanning en moeite. In het leerproces zijn moeilijkheden misschien ook wel wenselijk, net als met sporten. Er moet goed geoefend en geautomatiseerd worden zodat duurzame verbindingen in de hersenen ontstaan, dat is niet altijd ‘leuk’. Scholen moeten kinderen deze moeilijkheden voorschotelen en ze uitdagen. Dat gebeurt nu te weinig. We zoeken naar een mentale afsnijroute naar het langetermijngeheugen, maar die is er gewoonweg niet.”

Bloeiende bijlesindustrie

Hoe kan het dan dat scholen hier in meegaan? “Wat ik vaak zie is dat leraren enthousiast zijn en echt willen meewerken aan beter onderwijs, maar dat er vaak een visie ontbreekt op scholen. Een échte visie bedoel ik, een die specifiek en normatief is, en waarin bepaalde kwaliteitsstandaarden worden geformuleerd waar leraren zich aan kunnen spiegelen.” Dat scholen zich weer herbezien op hun kerntaken blijkt ook uit allerlei navenante fenomenen die opspelen doordat scholen ze laten liggen. Meester: “Neem de bijlesindustrie. Het ironische hieraan is dat zij leerlingen juist op klassieke wijze gericht lesgeven. Ik ben niet blij met dat de bijlesindustrie zo opleeft, maar ik begrijp wel dat het bestaat. Het is namelijk een symptoom van een veel dieper probleem in het onderwijs. En het is tijd daar iets aan te doen.”